In een speelveld werken mensen en organisaties niet los van elkaar. Ze reageren op elkaar, bouwen voort op eerdere ervaringen en beïnvloeden elkaars gedrag. Toch zoeken we verklaringen voor wat er gebeurt bij individuele spelers. We zeggen bijvoorbeeld dat een speler dominant is, weerstand biedt of niet wil samenwerken.
Maar daarmee weten we nog weinig over wat er tussen spelers gebeurt. Wie neemt initiatief? Wie reageert daarop? Wie zoekt wie op? Welke informatie wordt wel of niet gedeeld? Wanneer ontstaat afstand of spanning? Door te kijken naar wat er tussen spelers gebeurt, worden patronen zichtbaar die je mist als je alleen naar afzonderlijke spelers kijkt.
Van eigenschappen van spelers naar wat ertussen gebeurt
Organisatieadviseur Marijke Spanjersberg maakt in haar boek Tussentaal onderscheid tussen taal over wat er ín mensen zou zitten en taal over wat er tússen mensen gebeurt. Zij laat zien hoe gemakkelijk we eigenschappen, gedachten en bedoelingen aan mensen toeschrijven en onderzoekt welke andere taal mogelijk wordt wanneer we meer relationeel kijken. Dat verschil lijkt klein, maar leidt tot andere vragen.
|
In plaats van |
Kun je onderzoeken |
|
“Deze speler is dominant.” |
“Deze speler bepaalt in gesprekken vaak de richting. Andere spelers brengen daarna minder ideeën in.” |
|
“Deze organisatie werkt niet mee.” |
“Wij nodigen deze organisatie regelmatig uit voor ons overleg. Zij reageert weinig op die uitnodigingen, waarna wij vaak zonder hen verder gaan.” |
|
“Er is weinig vertrouwen.” |
“Spelers controleren afspraken vaak bij elkaar en delen informatie pas laat.” |
|
“Deze speler vertoont weerstand.” |
“Wanneer er een voorstel op tafel komt, stelt deze speler veel kritische vragen en neemt uit bezwaren nog geen besluit.” |
Deze manier van beschrijven zegt niet automatisch waarom iets gebeurt. Dat is juist de bedoeling. Door eerst te beschrijven wat je ziet en hoort, ontstaat ruimte om te onderzoeken in plaats van de verklaring al voor de ander in te vullen.
Stel dat een opgaveteam vindt dat een maatschappelijke organisatie weinig initiatief neemt. Het team gaat daarom zelf steeds meer voorbereiden en komt met verder uitgewerkte voorstellen. In de gesprekken brengt de maatschappelijke organisatie vervolgens minder eigen ideeën in en reageert vooral op wat er al ligt. Voor het opgaveteam bevestigt dat het beeld dat de organisatie weinig initiatief neemt, waardoor het team nog meer zelf gaat voorbereiden. Zo kunnen spelers elkaars gedrag onbedoeld versterken. Juist in de wisselwerking kunnen patronen ontstaan die spelers zelf in stand houden.
Relationeel kijken verschuift dan de vraag van: “Waarom neemt deze organisatie geen initiatief?” naar: “Wat gebeurt er tussen ons waardoor dit patroon ontstaat en blijft bestaan?” Kijk daarbij niet alleen naar wat andere spelers doen. Als jij zelf onderdeel bent van het speelveld, beïnvloed je met wat jij doet en laat ook wat er tussen jou en andere spelers gebeurt.
Een speler gedraagt zich niet in iedere relatie hetzelfde
Een speler kan in de ene situatie veel initiatief nemen en in een andere juist afwachten. Een organisatie kan met de ene partner gemakkelijk informatie delen en tegenover een andere terughoudend zijn. Hoe een speler handelt, hangt samen met de relatie en de situatie.
Vraag bijvoorbeeld:
- Met welke spelers verloopt het contact anders?
- Wanneer zien we dit gedrag wel en wanneer niet?
- Wat doet de ene speler waarop de andere reageert?
- Welke eerdere ervaringen kleuren deze relatie?
Dat helpt om eigenschappen niet te snel vast te plakken aan een persoon, organisatie of groep.
Kijk verder dan twee spelers
Relaties staan bovendien niet los van de rest van het speelveld. Soms verandert de verhouding tussen twee spelers door wat een derde speler doet. In Spanjersbergs manier van visueel maken van het speelveld worden relaties en driehoeksverhoudingen letterlijk zichtbaar gemaakt met lijnen en pijlen. Zo kun je onderzoeken welke patronen tussen mensen ontstaan.
Kijk bijvoorbeeld:
- Welke spelers zoeken elkaar gemakkelijk op?
- Welke spelers hebben nauwelijks rechtstreeks contact?
- Via wie loopt veel informatie?
- Wie verbindt spelers die elkaar anders niet bereiken?
- Welke spelers vormen vaak samen een groep?
- Wie staat relatief alleen?
- Wat verandert er tussen spelers wanneer een andere speler betrokken raakt?
Een speler die op het eerste gezicht voor spanning lijkt te zorgen, kan zo onderdeel blijken van een breder patroon.
Wat levert relationeel kijken op?
Relationeel kijken helpt om te beschrijven wat er gebeurt in plaats van te oordelen over gedrag. Het maakt ook mogelijkheden zichtbaar om een patroon te doorbreken. Als je anders reageert, iets vraagt of een andere speler betrekt, kan ook de wisselwerking veranderen.
“Deze partij is lastig” geeft weinig aanknopingspunten. “Wanneer wij een uitgewerkt voorstel voorleggen, stelt deze partij vooral vragen over wat al besloten is” maakt beter zichtbaar wat er gebeurt. Je kunt vervolgens onderzoeken hoe dit patroon tussen spelers ontstaat, wat het in stand houdt en waar ruimte zit om iets te veranderen.
Deze manier van kijken helpt ook om de verklaring voor wat er gebeurt niet te snel bij één speler te zoeken. Een patroon ontstaat immers tussen spelers. Dat betekent niet dat iedere speler evenveel verantwoordelijkheid of invloed heeft.
Niet alles is een relatievraagstuk
De relationele blik is één manier van kijken naar het speelveld. Niet alles wat in een speelveld gebeurt, is te verklaren vanuit de relatie tussen spelers.
Spelers kunnen verschillen in formele macht, middelen, rechten en verantwoordelijkheden. Ook wetgeving, organisatiekeuzes of ongelijke toegang tot informatie kunnen bepalen wat er gebeurt. Wie alleen naar interactie kijkt, kan zulke verschillen uit het oog verliezen.
Vraag daarom naast “Wat gebeurt er tussen deze spelers?” ook: “Welke omstandigheden, regels en verschillen in invloed spelen hierbij een rol?”
Relationeel kijken vervangt andere manieren van analyseren dus niet. Het voegt een blik toe op iets wat op een speelveldkaart gemakkelijk verborgen blijft: wat er daadwerkelijk tussen spelers gebeurt.
Probeer het zelf
Merk je dat je een oordeel over een speler hebt en deze bijvoorbeeld beschrijft als lastig, dominant, afwachtend, ongemotiveerd of wantrouwend? Stop dan even en stel jezelf deze vragen:
- Wat zie of hoor ik daadwerkelijk gebeuren?
- Wat vul ik zelf in over de ander?
- Met wie verloopt het anders?
- Welke andere spelers of omstandigheden beïnvloeden dit patroon?
- Wat doet de één waarop de ander reageert en wat gebeurt er daarna?
Probeer daarna jouw eerste uitspraak opnieuw te formuleren. Beschrijf zo concreet mogelijk wat er tussen spelers gebeurt, zonder meteen in te vullen waarom.
Wil je zulke verbindingen en patronen in jouw speelveld zichtbaar maken? Gebruik dan de Netwerkanalyse.
Verder lezen of luisteren? Lees Tussentaal van Marijke Spanjersberg of beluister de podcastaflevering over het boek.