Dit artikel is het eerste in een reeks over dialoog en overheid waarin we de moeilijkheden en mogelijkheden onderzoeken die dialoog biedt voor het ambtelijke werk. We speuren naar wat er leeft en neuzen naar aanleiding daarvan rond in de schatkamer van boeken en studies over dialoog.
Caroline Wiedenhof trapt af. Wat betekent dialoog eigenlijk? Wat kunnen ambtenaren ermee? Moeten ze aan de bak?
Letterlijk betekent dialoog ‘door het woord’ of ‘door de rede’. Het begrip dialoog drukt dus uit dat we woorden en rede nodig hebben om samen betekenis te geven aan de wereld.
Drie vormen van dialoog
De Canadese denker Marie-Ève Marchand onderscheidt drie vormen van dialoog. De eerste is een innerlijke variant: als het ware een gesprek met jezelf. Dat ontstaat vanzelf als een innerlijke stem zich roert met kritiek, twijfel, plezier of trots. Daarnaast is er natuurlijk een gesprek tussen twee mensen. In het theater en literatuur wordt dialoog vaak in deze betekenis gebruikt. Tot slot is er een dialoog in een grotere groep (Marchand, Marie-Ève, The Spirit of Dialogue in a Digital Age, 2019)
In de context van de overheid gaat het vooral over die laatste vorm: een gesprek met een groep mensen over een bepaalde vraag of thema. Denk aan vergaderingen, teamoverleg, projectsprints, onderhandelingen, paneldiscussies, netwerkbijeenkomsten en nog veel meer.
Maar wacht even, zeggen de kenners dan, niet al die gesprekken zijn dialogen.
Wat is dialoog?
Volgens Jindra Kessener en Rens van Loon is een gesprek dialogisch als het vier kenmerken heeft: mensen luisteren naar elkaar, tonen respect, zijn bereid hun oordeel uit te stellen en hun stem te laten horen (Kessener, Jindra en Van Loon, Rens, Dialoogrevolutie, de weg naar gedeeld moreel leiderschap, 2025) Kom er maar eens om!
"Aan een groep waar ik deel van uitmaakte werd tijdens een oefening gevraagd wanneer er voor het laatst echt naar je was geluisterd. Dat bleek een confronterende vraag. Iedereen moest heel diep graven naar een voorbeeld".
Kessener en van Loon pleiten in hun boek, dat in 2025 verscheen, voor niets minder dan een dialoogrevolutie, omdat ze zich zorgen maken dat mensen steeds meer van elkaar verwijderd raken.
Het rijksbrede Hannah Arendt Podium (HAP) voegt aan dat rijtje kenmerken de factor tijd toe, en een dialoogbegeleider. ‘Een dialoog is een gesprek’, zo staat in een HAP-folder, ‘waarin deelnemers onder begeleiding de ruimte ervaren om te kunnen luisteren en te ontvangen wat een ander te zeggen heeft, en daarbij de tijd hebben om daarover na te denken en het eigen denken te kunnen onderzoeken (Flyer Hannah Arendt Podium Rijksoverheid, 2021)
Olga Plokhooij en Renate van der Veen noemen zeven basisprincipes van dialoog, waaronder enkele die hierboven nog niet naar voren kwamen: gelijkwaardigheid, ‘zijn met wat er is’ en ‘vertragen en verstillen’ (Plokhooij, Olga en Van der Veen, Renate, Basisprincipes dialoog, zie https://leerwegdialoog.nl/wp-content/uploads/2018/01/180129-Basisprincipes-Dialoog-Renate-van-der-Veen-Olga-Plokhooij-1.pdf).
Hun definitie van dialoog is ‘wijsheid ontsluiten door gezamenlijk een vraag te onderzoeken door aandachtig te luisteren, ervaringen te delen en te reflecteren op de inzichten. Daarnaast noemen zij ook een bepaalde schaalgrootte en een specifieke opstelling, wanneer ze dialoog omschrijven als ‘een gesprek met ongeveer zeven deelnemers die in een cirkel zitten.’
Het woord dialoog wordt vaak gecombineerd met het bijvoeglijk naamwoord ‘socratisch’. Docent Hans Bolten definieert zo’n socratische dialoog als ‘een gesprek over een vraag waar je over na moet denken’. Er zijn namelijk ook tal van vragen, die zich niet lenen voor een dialoog, zegt hij erbij. Bijvoorbeeld vragen naar hoe iets werkt of wat de feiten zijn (website Hans Bolten, www.boltentraining.nl)
Werkdefinitie
Het is inmiddels al een aardig rijtje geworden van aspecten of principes waaraan je een dialoog herkent:
- naar elkaar luisteren
- respect tonen
- oordeel uitstellen
- je stem laten horen / ervaringen delen
- reflecteren op de inzichten
- een vraag waar je over na moet denken
- een cirkel
- een overzichtelijke schaal
- gelijkwaardigheid
- zijn met wat er is
- vertragen en verstillen
Voor nu hanteer ik deze werkdefinitie om de reeks artikelen te openen: een dialoog is een gesprek waarin een groep mensen vanuit gelijkwaardigheid een vraag of thema onderzoekt door open te luisteren en te spreken (Voor een uitgebreider literatuuroverzicht zie bijvoorbeeld de pagina ‘Over dialoog’ op www.leerwegdialoog.nl)
Werkruimte en dialogische ruimte
Voor ik naar de vraag ga of dialoog en overheid bij elkaar passen ga ik nog te rade bij Kees Voorberg, schrijver van het boek In dialoog. Hij vertelt dat hij graag een onderscheid maakt tussen gesprekken in ‘werkruimten’ en die in ‘dialogische ruimten’ (Voorberg, Kees en De Geus, Eelco, In dialoog, persoonlijk, professioneel, maatschappelijk, 2023. Het citaat komt uit een gesprek met de auteur in 2026).
Met werkruimten bedoelt hij de ruimten waarin mensen plannen maken, dingen met elkaar afstemmen, informatie uitwisselen, alles samen op een rijtje zetten, en als het nodig is stoom afblazen om daarna weer verder te gaan met hun werk. Daar horen andere gesprekken bij dan dialogen. Ik noem ze voor het gemak werkgesprekken.
Een dialogische ruimte daarentegen is er om te leren wat er bij mensen leeft rondom een bepaalde vraag. Daarin staat naar elkaar luisteren en onderling contact centraal, niet zozeer een vooropgesteld doel. Er wordt op vertrouwd dat een gesprek in deze dialogische ruimte - een dialoog dus – iets betekent voor de deelnemers, zonder dat daarop gericht wordt aangestuurd. In een dialogische ruimte kun je de werking en betekenis van dialoog in zijn zuivere vorm ervaren (zie het lijstje kenmerken hierboven). Daar moet je dus zijn als je wilt leren om een goede gespreksdeelnemer of gespreksbegeleider te zijn. Of als je verlangt naar de ‘bevrijdende werking’ van dialoog waarvan mensen getuigen die er vaker vertoeven.
Passen dialoog en overheid bij elkaar?
In de vele werkruimten van de overheid, van vergaderzalen tot gemeenschapshuizen, bestaat geregeld behoefte aan, of zoals onze zuiderburen het wat sterker uitdrukken: ‘nood aan’ het samen onderzoeken van een vraag of thema. Want een overheid moet allerlei maatschappelijke problemen aanpakken, en doet zijn best om dat samen met de samenleving te doen. Dialogen kunnen dan zeker behulpzaam zijn.
Dat merkte ook Chief Exploration Officer Suzanne Potjer, die door Nederland reisde in opdracht van het rijksbrede innovatieprogamma Agenda Stad, om te onderzoeken welke alternatieven er zijn voor vastgelopen gesprekken aan de Nederlandse overlegtafels over grote maatschappelijke problemen.
In haar boek De polder is dood. Leve de Polder! komt ze voor de overheid tot adviezen als ‘Werk met de samenleving’. ‘Begin niet met structuren, maar met ontmoetingen’, Organiseer structurele dialoog’, ‘Begin het gesprek over wat we wél willen’.
Ook het rijksbrede beleidskompas geeft allerlei stappen aan waarvoor dialoog passend is:
- om te onderzoeken welke problemen spelen (stap 1 van het kompas),
- om uit te vinden welke mogelijkheden van handelen er zijn (stap 3)
- om te overzien wat de gevolgen zijn van beleidsopties (stap 4).
Onderzoek en leren
Dialoog is zinvol als er een zoektocht gaande is, of hard nodig. Als je collectief wilt leren van het verleden, van de toekomst, of van wat er hier en nu leeft. Om te onderzoeken hoe beleid uitpakt, hoe dienstverlening wordt ervaren, hoe samenwerking verloopt. En niet in de laatste plaats: als er sprake is van een moreel vraagstuk, waarin waarden met elkaar botsen.
Twee bezwaren
Toch klinken er in overheidsland ook wel bezwaren tegen dialoog. Ik noem er twee, een uit de hoek van doeners en een van de kant van de grootste liefhebbers.
Doelgerichte doeners hoor je vooral sputteren omdat dialogen tijd kosten en een ongewisse uitkomst hebben. Dialoog, dat compliceert alleen maar. Er wordt al veel te veel gepraat, laten we aan de slag gaan, zeggen zij.
Liefhebbers van dialoog protesteren op hun beurt als dialoog wordt ingezet als instrument voor een bepaald doel, omdat voor hen dialoog en doelgerichtheid maar moeilijk samengaan. Zodra er een gewenste uitkomst in beeld is – en dat is vaker wel dan niet het geval - is het verdraaid lastig om alle perspectieven nog te zien, zeggen zij. Dan is een echte dialoog niet meer mogelijk, en mag je een gesprek ook niet zo noemen.
Voor de ene groep is de dialoog dus te weinig actiegericht, voor de andere kan de overheid het in een dialoog nauwelijks goed doen.
Dialoog in de werkruimte
Tussen die twee uiterste posities is er natuurlijk heel veel mogelijk.
Als je de kracht van dialoog kent, kun je in de werkruimten van alledag bewust dialogische elementen inbrengen. Denk aan een open vraag, een korte time-out, een gespreksafspraak, een eerlijk verhaal, een onverwachte wending, een waarneming en vul maar aan. Het is best een kunst om dit goed te doen.
"De eerste keer dat ik dat deed, maakte ik een enorme beginnersfout. Ik beledigde de collega die de vergadering leidde door half woedend te zeggen dat ik niet snapte waar we mee bezig waren. Ik heb hiervan geleerd dat ik veel beter moet beluisteren wat er bij anderen leeft voordat ik een conclusie trek" (Uit: Caroline Wiedenhof, Uit de knoop, verhalen van een veranderende overheid)
Terugkijkend op dit incident denk ik dat ik het nu slimmer zou kunnen. Ook weet ik inmiddels dat niet alleen het uitspreken, maar ook het horen van een moeilijke boodschap een hele kunst is. Leve de organisaties waarin mensen ermee kunnen omgaan dat boodschappen niet altijd netjes worden gebracht als er emotie in het spel is.
Terug naar de kleine ‘dialogische’ interventies. Die kunnen wonderen doen in zakelijke ‘werkruimten’. De momenten dat dat gebeurt noem ik inmiddels ‘dialogische momenten’; momenten van verbinding, creativiteit en menselijkheid in het werk.
Een andere ambtenaar bracht dialoog haar werk in op een veel gestructureerdere manier:
"Toen ik werd gedetacheerd als programmamanager trof ik zestien belangenverenigingen die vooral druk waren met stelling nemen over elkaar. Ik heb benoemd dat we zo niet verder zouden komen. Vanaf toen ben ik elke vergadering begonnen met ethische gespreksregels.
‘Eerst begrijpen dan begrepen worden.’
‘Wees nieuwsgierig.’
‘Stel vragen.’
‘Wees beknopt.’
‘Houd het bij jezelf.’
Dat soort dingen. Langzamerhand ontstond er een lerende gemeenschap. Dat was heel moedig van iedereen, vooral van de voorzitter, die mij de ruimte gaf voor een aanpak waar hij zelf niet direct het meeste vertrouwen in had.
In het rapport voor de minister heb ik dit mooie leerproces proberen te vangen in ‘blauwe’ managerstaal. Maar dat deed er helemaal geen recht aan. Dat heeft me geleerd dat we in ons werk als ambtenaar meerdere talen moeten kunnen spreken: de taal van beleid en bestuur, de taal van de praktijk en de taal die met elkaar wordt ontwikkeld in lerende netwerken" (Uit: Caroline Wiedenhof, Uit de knoop, verhalen van een veranderende overheid).
Misschien is dat ook wel een mooie omschrijving van dialoog, die een ambtenaar hier aanreikt: een gespreksvorm voor lerende netwerken.
Ambtenaren die onderdeel willen zijn van zo’n lerend netwerk moeten zeker aan de (dialoog)bak.
Door Caroline Wiedenhof
Het volgende artikel in deze reeks gaat over ‘dialogisch veranderen’. Heb je daar ervaring mee of een vraag over? Laat het ons weten via een e-mail aan dialoogenethiek@rijksoverheid.nl.