De afgelopen twee jaar was er binnen de ambtenarij veel aandacht voor “Ambtelijk activisme”. Heel kort door de bocht: ambtenaren die zich als ambtenaar of als burger van Nederland uitspraken over grote kwesties en daarbij ook kritisch waren op het beleid van de eigen organisatie of in het algemeen van de Nederlandse regering. Maar ook in de media ging het er regelmatig over. Hoe werd daar gesproken over dit onderwerp?
Naomi van Steenbergen deed hier onderzoek naar. Speciaal keek zij naar de argumenten die werden gebruikt om te onderbouwen of bepaalde uitingen of gedrag toegestaan, wenselijk, verplicht of juist verboden zouden moeten zijn. Daarbij maakte ze onderscheid of het ging om gedrag binnen de organisatie of in het openbaar, en of de personen zich uitspraken als ambtenaar of als privépersoon.
Beeld: Erik Kottier
Naomi van Steenbergen
Een rijkdom aan observaties
Het rapport geeft veel informatie in relatief weinig pagina’s en is daardoor niet direct makkelijke kost. Maar het laat zich goed ‘grasduinen’ en dan bevat het een enorme rijkdom aan observaties, vragen en suggesties voor kwesties waar we over zouden moeten doordenken. Iedere paragraaf begint met een korte samenvatting en eindigt met punten die we verder zouden kunnen overwegen, en op iedere pagina die je opslaat staat wel een interessante observatie. Spoiler alert: Het verschil tussen wat mag, moet, wenselijk of verboden is, “lijkt in de geanalyseerde artikelen niet altijd expliciet te worden gemaakt en veel betrokkenen lijken niet gewend deze verschillende categorieën te hanteren.” (p.40) Deze schoen past ons als rijksambtenaren ook nog steeds
Ik licht hier drie thema’s uit:
- De plaats van tegenspraak
Er wordt vaak gezegd dat er ruimte moet zijn voor tegenspraak; het hoort immers bij het vak van ambtenaar. Maar bij het ‘ruimte bieden’ lijkt tegenspraak vooral een persoonlijk recht, terwijl: als het onderdeel is van je vakmanschap, dan ligt het voor de hand dat het eerder een professionele plicht is. En dan zou het ook duidelijk moeten kunnen zijn wanneer tegenspraak mag, of wenselijk is, wanneer tegenspraak juist moet – of misschien wanneer tegenspraak niet mag.
Mogelijk zijn er ook momenten waarop geen tegenspraak geven misschien “begrijpelijk en wellicht zelfs redelijk” (p.13) te noemen is, ook al het voortkomt uit een mogelijk “minder wenselijke” vorm van loyaliteit, lijfsbehoud of reputatieoverwegingen. Dat de plicht in zijn algemeenheid bestaat, wil niet zeggen dat hij op elk moment altijd uitgeoefend moet worden. Hierover schreef Naomi van Steenbergen eerder al een reflectie in Ficties in de ambtelijke ethiek?
Ook het risico op ‘politisering’ van het ambtelijk apparaat wordt vaak genoemd in de context van tegenspraak. Interessant is dat dan gewezen wordt op zowel een teveel als een tekort aan tegenspraak. Te zeer de minister naar de mond praten is net zo goed een vorm van politisering als de politieke wens ombuigen naar wat de beleidsafdeling verstandiger acht. Wat is hier dan goed handelen?
- Beeldvorming
In verschillende bronnen wordt beeldvorming genoemd als een overweging als argument om ‘activisme’, dat wil zeggen: openlijke beleidskritiek door ambtenaren, ongewenst te vinden. In een context waarin zelfs bewindspersonen in het openbaar twijfel uiten aan de objectiviteit van de eigen ambtenaren, zouden ambtenaren zich in het openbaar beter stil kunnen houden. Door hun mening in het openbaar te uiten zouden zij immers de verdenking op zich kunnen laden dat zij hun werk niet ‘neutraal’ of ‘objectief’ doen, en mogelijk zelfs tot sabotage over zouden kunnen gaan. Dit zou zelfs kunnen gelden voor interne beleidskritiek, zeker wanneer die door de Wet Open Overheid ook openbaar gemaakt zou kunnen worden.
Naomi van Steenbergen zegt hierover: “Het is een interessante en belangrijke vraag wanneer en hoe beeldvorming invloed heeft op de vraag wat ambtenaren wel en niet mogen doen. Ideaal is waarschijnlijk om helder te hebben wat in principe wenselijk zou zijn en vervolgens te vragen: hoe om te gaan met beeldvorming die daaruit zou kunnen ontstaan?” (p.19) Mij lijkt dit een urgente vraag, juist omdat ook in dit rapport geconstateerd wordt dat van daadwerkelijk “lekken of (andere) vormen van sabotage” in de geanalyseerde nieuwsbronnen maar nauwelijks sprake is, al zijn er wel enkele voorbeelden.
- Persoonlijk of professioneel?
Er wordt vaak onderscheid gemaakt tussen professionele en persoonlijke uitingen, en tussen uitingen gedaan als ambtenaar of als privépersoon. Naomi van Steenbergen constateert daarbij dat “persoonlijke en professionele beweegredenen al dan niet opzettelijk door elkaar gehaald” worden (p.30). Inhoudelijke argumenten worden afgedaan als ‘emotioneel’, professionele bezwaren als ‘persoonlijk’.
Tegelijkertijd is ook niet altijd duidelijk wanneer een uiting geldt als iets waar de minister politiek verantwoordelijk voor zou kunnen zijn. Daarover was in de media weinig discussie, maar Naomi van Steenbergen benoemt het wel als een kwestie waarover we verder zouden moeten spreken: “Je politiek kunnen uiten is een grondrecht. Het zou dus goed zijn als het voor ambtenaren duidelijk was wanneer ze van dat grondrecht wel en niet gebruik kunnen maken.” (p.38)
Ik herken dit zeker ook uit de gesprekken die we binnen het Rijk voeren. LinkedIn als platform waar persoon en professie bij elkaar komen, geeft in de praktijk regelmatig casuïstiek. Valt alles wat je op LinkedIn zet onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister? Of ben je daar juist burger van Nederland waarbij herleidbaar is waar je werkt? Op welke gronden en onder welke voorwaarden zouden hier grondrechten mogen worden ingeperkt?
In gesprek?
Wil je over een van deze onderwerpen, of over een ander thema uit dit onderzoek verder in gesprek? Neem dan contact op met Dialoog & Ethiek: dialoogenethiek@rijksoverheid.nl
door Miriam van Staden