Esther Merlo en Marleen Rutten willen weten hoe het gemeentelijk aanbod landt bij inwoners. Hun speciale Koerskompas helpt vijf Brabantse gemeenten die samenwerken in het sociaal domein.
Het Peelse Koerskompas is nieuw en volop in ontwikkeling. Het gaat de impact monitoren van gemeentelijke programma’s in vijf gemeenten in Zuidoost-Brabant die in het sociaal domein samenwerken aan opgaven. Dat doen ze in de zogeheten ‘Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten’. De experts achter de knoppen delen graag, en opvallend open, hoe zij werken met het nieuwe instrument.
Esther Merlo
Zachtere data
Collega Marleen Rutten is als data-analist betrokken bij het Koerskompas en legt uit hoe ze werken aan het instrument. ‘Wij analisten kijken meestal naar harde data, naar wat we precies kunnen meten’, vertelt ze. ‘Maar veel harde data kun je niet vertalen naar het kwalitatieve. Om te achterhalen wat er verbetert, of hoe inwoners iets ervaren, hebben we dus die zachtere data nodig.’
Marleen noemt preventie als een voorbeeld van iets wat zich al van oudsher moeilijk laat meten. ‘Hoe meet je de inzet van een gemeente op dat onderwerp? Want je weet niet wat er zou zijn gebeurd zonder die preventiemaatregelen. Maar toch kun je wel iets doen als je meer data vergelijkt.’
Verschil maken
Programmamanager Esther Merlo was vanaf dag één enthousiast over het idee van het Koerskompas. ‘Ik vind zo’n instrument handig, maar vooral ook noodzakelijk’, stelt ze. ‘Het is niet meer genoeg om een project te beginnen, af te ronden en dan een vinkje te zetten. Ik wil een effectmeting kunnen doen bij programma’s. Ik wil weten waar we als gemeente het verschil maken, hoe inwoners de inhoud doorleven. Daarvoor heb je dus een instrument nodig om te monitoren, met harde data maar juist ook met zachtere data. Toen we begonnen was het een beetje een black box, we moesten zoeken naar een aanpak en naar samenwerkingen.’
Continu
‘We werken nu onder andere samen met de GGD’, vervolgt ze. ‘Zij doen grote onderzoeken naar bijvoorbeeld jeugd, eenzaamheid of mentale gesteldheid. Die informatie helpt ons. Het is wel lastig dat de frequentie van de onderzoeken niet zo hoog is, terwijl wij wel continu van het Koerskompas gebruik willen maken. We hebben natuurlijk ook onze eigen data. Die zijn van een kleinere groep, van de inwoners die al gebruikmaken van het aanbod in het sociaal domein. Terwijl onze opgaves zich natuurlijk ook richten op inwoners die niet in beeld zijn.’
Esther Merlo benadrukt dat het Koerskompas nog niet af is. Grote conclusies kunnen ze nog niet trekken. ‘We willen uiteindelijk bijvoorbeeld kunnen monitoren of inwoners meer naar elkaar gaan omzien en we een sterkere sociale basis realiseren. En of je dat dan terugziet in het gebruik van diensten in het sociaal domein. Maar eerste kleine succesjes zijn er al te vieren. De jeugdteams kunnen dankzij het monitoren van data hun werk al aanpassen en vaker zelf aanbieden wat nodig is, in plaats van jeugdhulp inzetten.’
Leren van elkaar
Esther en Marleen kunnen dankzij het vertrouwen van hun bestuur werken aan het Koerskompas. ‘Het bestuur verwacht niet dat het direct heel fancy is. We mogen het eerst klein en behapbaar houden. Dat is heel fijn hoor, die rugdekking, dat er niet direct grote verwachtingen zijn.’
Tijdens de bijeenkomst van de Opgavebeweging, onlangs in Deurne, hebben ze met collega’s uit andere delen van het land over het Koerskompas kunnen praten. Esther: ‘Ik hoorde dat meer gemeenten bezig zijn met monitoren van opgaven en dat dat een worsteling kan zijn. Maar het is wel een gezamenlijke worsteling. We zitten samen in een lerend traject.’
‘Leren van elkaar is essentieel bij de Opgavebeweging’, vult Marleen aan. ‘Laten we de successen én de missers met elkaar delen. Want als we ook delen wat weinig oplevert, dan hoeft een ander dat pad niet meer op te gaan.’
Interview afgenomen door: Margit Kranenburg